Ieder pondje

 Iedereen kent dit volkse gezegde: 'Ieder pondje gaat door het mondje'. Althans iedereen, veel kinderen uitgezonderd, die enige levenservaring en/of corpulentie bezit.

Zelden , moet ik bekennen, schuilt er naar mijn mening zoveel waarheid in een zoveel gebezigde uitspraak als in deze. Veel meer dan bijvoorbeeld in een opmerking in de richting van een door liefdesverdriet bijkans dodelijk getroffen jongeling: "Ach, weet je wat het is? Nu ben je nog bedroefd, maar je moet maar zo denken: er zijn er geen hand vol maar een land vol!" Een foutere zin is niet denkbaar. Wèl denkbaar is een uiting van agressie in de richting van degene die deze oerdomme zin zei, door de jongen of het meisje die dit schoolvoorbeeld van verkeerde timing onderging.

Terug naar 'ons pondje'. Eenieder met gezichtsvermogen kan het dagelijks om zich heen aanschouwen. Vooral als men zich in een stadscentrum begeeft, is het goed beschouwd verbazingwekkend wat onze soortgenoten aan gerechten in hun gezichten schuiven en wat ze aan vloeistoffen in hun gelaten laten lopen. Afgezien van het feit dat het een wonder is dat het menselijk lichaam daar nog raad mee weet, doemt bij mij onmiddellijk de vraag op: "Is dat allemaal nodig, in die hoeveelheden?" Velen zullen vinden van wel. De meesten van ons realiseren zich niet dat de mens er veruit op zijn 'onvoordeligst' uit ziet wanneer hij voedsel aan het verorberen is. Om het woord weerzinwekkend maar niet te gebruiken, maar dat terzijde.

Het uit eten gaan is onlosmakelijk verbonden met één woord: 'gezelligheid'. Eten doe je dan niet om je lichaam in stand te houden maar voor de gezelligheid. Dat je dan al gauw over de grens van het absoluut noodzakelijke gaat, zeker in onze welvaartsmaatschappij, is bijna onvermijdelijk. Het gaat vanzelf. "Morgen, volgende week, volgende maand ..begin ik weer met 'opletten'", wordt dan gezegd. Het woordje 'lijnen' lijkt weer een beetje uit de mode. "Die pondjes raak ik wel weer kwijt."Zeggen ze dan. Het feit dat ze die pondjes binnen een maand weer 'terugvinden' zeggen ze er gemakshalve maar niet bij. Het grootste deel van de pondjes die er via het orale kanaal in gekieperd worden verwerven zich een eersterangs plaats in het getergde lichaam om daar prominent aanwezig te zijn, terwijl slechts een klein deel van diezelfde pondjes via het urale en anale kanaal eruit fluit.

Maar nu doet zich iets eigenaardigs voor. Veel mensen, altijd volwassenen, beweren, wanneer zij in het bezit zijn van een (veel) te ruime voorraad vetweefsel: "Ik weet niet waar ik dik van geworden ben. Ik eet helemaal niet zoveel.." Dat laatste is natuurlijk een rekbaar begrip, maar hoe je het ook wendt of keert. We komen als vanzelf weer terug bij de titel van dit stuk.

Het is fysiologisch nu eenmaal zo dat wij bestaan uit cellen die zich door deling vermeerderen, die afsterven en vervangen worden, allemaal in een orde die door ons DNA bepaald wordt. Dat geldt voor al onze honderd biljoen, of meer, cellen(dat is een 1 met 14 nullen). Of het nu een celletje in het netvliesweefsel is of eentje uit het spierweefsel van onze linker kleine teen. Laat staan een cel uit vetweefsel ter hoogte van de navel.

Wat dat laatste betreft is er echter een probleempje. Ons lichaam is van nature zó 'geprogrammeerd' dat het zoveel mogelijk voedsel wat niet nodig is om te groeien of energie te leveren (voor bijvoorbeeld bewegen, denken of de lichaamstemperatuur op peil houden), opslaat in de vorm van vetweefsel(voor tijden van schaarste). Daar zit nauwelijks een rem op. We moeten zelf maar zo verstandig zijn om deze drang af te remmen of te negeren. Eigenlijk is het zo dat ons lijf de hele dag loopt te zeuren als een klein kind. De ogen willen mooie dingen zien, onze neus wil lekkere geurtjes ruiken, de oren willen mooie muziek horen, onze handen willen zachte dingen voelen. Zo willen onze smaakpapillen dat er zo vaak mogelijk lekker eten en drinken voorbij komt. Meestal overbodig en vaak eindigend in het volgende vetrolletje. Het is zelfs zo dat hoe meer vetweefsel er opgeslagen wordt, hoe groter de behoefte ernaar wordt. Daar hebben we tegenwoordig een woord voor: obesitas.

Wat is nu het vreemde?

Gezien het feit dat mensen niet meer weten waar ze dik van geworden zijn, moet van hen dus feitelijk vastgesteld worden dat zij tevens lijden aan een bepaalde vorm van vergeetachtigheid en misschien tevens aan een zeker verdringingsgedrag. Zo van: "Snoepen,dat doe ik niet!" Is het toeval dat, lopend door de stad, je maar al te vaak mensen met etenswaar en drank ziet welke ze overduidelijk beter niet kunnen nuttigen? Ik dacht het niet! Zeker als je ziet hoe ongezond die 'verleidingen' zijn die ze in hun knuistjes houden: bijna puur vet of puur suiker.. Voor dit type vergeetachtigheid zouden ze een nieuw woord uit moeten vinden. Misschien is 'obesimentie' een goede suggestie?

Dan heb je nog een categorie mensen die zeer beslist wèl weten waar ze dik van geworden zijn. Het is 'de bouw', ofwel een erfelijkheidskwestie, zeggen deze personen, of het komt door de medicijnen die ze tegen de een of andere kwaal tot zich nemen. Het is jammer dat zij maar al te vaak dit argument als een excuus gebruiken om maar niet al te fanatiek met matigen aan de slag te gaan. "Je mag toch wel wàt hebben?!" of: "Je leeft maar één keer, neem mee wat je kunt!"

Fysiologisch is het zo dat vrouwen procentueel gezien meer vetweefsel in hun lichaam hebben dan mannen (ca. 10%), wat te verklaren is uit het feit dat zij kinderen kunnen baren en dus over natuurlijke reserves moeten beschikken. Zo staat het ook vast dat mannen gemiddeld genomen procentueel meer spierweefsel in hun lichaam hebben dan vrouwen (eveneens ca. 10%), getuige het feit dat mannen in alle sporten puur op fysieke kracht beduidend meer presteren dan vrouwen. Saillant detail is dat het soortelijk gewicht van spierweefsel hoger is dan dat van vetweefsel. In 'Jan met de pet taal' gezegd: spieren zijn zwaarder dan een gelijk volume aan vet.

Aan de borreltafel hoor je dan ook maar al te vaak dat het 'niet eerlijk' is, dat 'de' mannen maar kunnen eten wat ze willen en 'geen gram' aankomen en ik word al dik als ik naar iets lekkers kijk! Uiteraard komt dit uit de mond van een vrouw, die 'van huis uit' gezegend is met natuurlijke rondingen en het is uiteraard gechargeerd om de zaak te verduidelijken. Van kijken wordt je niet dik, net zo min als van 'de lucht'. Dit is immers een gas en dat wordt niet als een 'gewichtig' element opgeslagen in ons lichaam. Van water wordt je wel zwaarder, maar dat is het minst bezwaarlijke bestanddeel dat wij in ons lijf toe kunnen laten, omdat het ons reinigt en we bestáán trouwens voor 66% uit water. Bovendien verlaat het ons lichaam heel gemakkelijk door urineren, transpiratie en ademvocht.

Van suiker word je wèl zwaarder, want dat wordt door het lichaam omgezet in vetten en opgeslagen. op allerlei plaatsen waar we het liever niet hebben(het lichaam 'doet' dat om reserves aan te leggen voor 'slechtere' tijden, die waarschijnlijk nooit komen).

Er zijn geluksvogels die inderdaad een dermate hoge verbranding (metabolisme) hebben dat zij behoorlijk kunnen 'innemen' zonder dat er overdreven veel vet aan de strijkstok blijft hangen. Met andere woorden: deze mensen blijven behoorlijk slank (door zwaardere mensen uit jaloezie 'mager' genoemd). Ook dit zijn dan weer meestal mannen (67%). Opmerkelijk is wèl dat deze vogels in veel gevallen ook behoorlijk vaak vliegen, ofwel ze bewegen gemiddeld méér dan leeftijdgenoten die zwaarder zijn. Waarschijnlijk mede doordat bewegen gemakkelijker gaat wanneer je wat minder ballast mee te zeulen hebt. Het is echter niet zo dat slanke mensen maar raak kunnen eten en op de bank kunnen blijven zitten. Vroeg of laat wreekt zich dat in de vorm van bijvoorbeeld hart- en vaatklachten. Een 'panharing' kan best last hebben van een joekel van een LDL cholesterol gehalte, zelfs zonder dat hij of zij het zelf weet.

Daarom geldt voor alle mensen hetzelfde: eet gevarieerd en -met mate (en zo nu en dan ook met maten) en beweeg zo veel als redelijkerwijs mogelijk is en dat laatste is dus voor iedereen verschillend. Hoewel vrouwen gevoeliger zijn voor gevoelens van genot die door eten worden opgeroepen dan mannen, worstelen beide seksen even hard met problemen van overgewicht.

Wat gewichtsbeheersing betreft komt het er dus tóch uiteindelijk op neer dat al dat overtollige lichaamsgewicht door één lichaamsopening naar binnen komt, maar beheerst wordt door de pak hem beet 3 pondjes specifiek weefsel, dat overigens voor het grootste deel uit vet bestaat en vlak boven deze lichaamsopening gelegen is. Juist: je 'grijze massa'.

Met die grijze massa weet bijna iedereen dat overdaad schaadt. Iemand die niet zonder trots op zijn veel te dikke buik tikt en meldt: "die heeft veel geld gekost" zou de consequenties ook zelf moeten dragen en deze niet moeten afwentelen op de gemeenschap. Als deze lui zich willens en wetens tegen alle gezondheidsregels in blijven gedragen en daardoor enorme risico's lopen dan zijn zij wat mij betreft vergelijkbaar met lieden die in het verkeer enorme risico's veroorzaken voor zichzelf maar zeker ook voor anderen. In dit verband zou men kunnen spreken van 'vreethufters'. Mij lijkt het te billijken dat er een systeem komt waarbij het percentage dat je boven de algemeen geldende gewichtsnorm zit, tevens het percentage wordt dat je zelf moet bijbetalen aan de eventuele behandeling, voorop gesteld dat er geen sprake is van een medisch defect. Ben je dus bijvoorbeeld 20% te zwaar dan draag je zelf dat deel bij aan bijvoorbeeld een bypass operatie die al gauw 25000 euro kost. Het lancet snijdt aan twee kanten: de potentiële patiënt kan behalve zichzelf te vullen ook zijn spaarvarken vullen tot hij minstens 5000 euro bij elkaar heeft. Hij zal gestimuleerd worden om te matigen of heeft in elk geval de keuze om dat te doen. In de tweede plaats kunnen de premies omlaag en daar heeft heel de gemeenschap plezier van. Het enige 'pijnpunt' is naar alle waarschijnlijkheid de controle hierop en daarmee is de haalbaarheid twijfelachtig.

Anders was het wel leuk geweest: een gezondere bevolking en lagere kosten!