De pyrofiele mens

Misschien vind je de titel een beetje raar, maar het kan nog vreemder.

Als er in plaats van het woordje 'mens' gestaan had dat het om een of ander 'dier' ging dan was het vele malen verder bezijden de waarheid geweest.

Wat is er dan gaande? In tegenstelling tot dieren, omarmen mensen vanaf het allereerste begin het verbranden van alles wat branden wil.

Even een 'stapje' terug in de tijd. Toen zij nog in holen zaten te rillen in hun berenvellen, holden oermensen naar buiten toen ze een vreemd geraas hoorden, nadat er dichtbij een enorme knal geklonken had. Wat zij zagen was onbeschrijfelijk. Een gigantische boom was compleet doormidden gekliefd door een hun onbekende kracht. Het enige wat zij wisten was, dat ze even daarvoor een ongelooflijk felle lichtflits hadden waargenomen. Vergelijkbaar met de intensiteit van zonlicht.

Nu werd die machtige en eens zo trotse mastodont opgegeten door gele flakkerende 'beesten' die ze daarvoor nog nooit gezien hadden. Dit alles gebeurde met het vreemde geraas wat hun eerder naar buiten had gelokt. De boom werd zienderogen kleiner door de gulzigheid waarmee de steeds van vorm veranderende gele monsters aan de boom vraten. Er was echter ook iets wat de bibberende holbewoners opviel. Ze keken elkaar in verwondering aan en wentelden zich letterlijk in de warmte die er van de brandende boom op hen afstraalde. Ondanks de gestaag neerdalende regen, was dit wel erg aangenaam, maar de hitte werd zelfs zo intens dat ze enkele passen achterwaarts gedwongen werden. Deze behaaglijke warmte was wat ze zochten om aan de vochtige koude te ontsnappen, waar ze zo door geteisterd werden.

In de tijd die volgde op deze ervaring, waren zij extra alert op deze periodes van onweer en bliksem inslag. Zij hadden hout verzameld en in de grot gereed gelegd. Bij de eerste de beste flits tijdens het eerstvolgende onweer zouden ze een poging doen die gele beesten te vangen en mee te nemen naar hun grot om deze gulzigaards te laten eten van het geprepareerde hout.

Natuurlijk mislukten talloze pogingen om vuur te verzamelen, maar uiteindelijk zou het, vele brandwonden ten spijt, lukken. De grot veranderde in een een lichtere en warmere plek waarin het comfort enorm gestegen was, ondanks het verstikkende rokerige klimaat.

Ze leefden met een man of twaalf bij elkaar. De grot en de groep zorgden voor beschutting en de eerste levensbehoeften. De vlammende monsters vervulden de kille spelonk van warmte en licht. Ze bleven gelukkig daar waar het hout was. Het enige wat de holbewoners hoefden te doen was het verzamelen van hout in de omgeving, om aan de honger van de beesten te voldoen. Deze leken onverzadigbaar en ze etaleerden hun gloeiend pleidooi voor al maar méér hout. Soms kregen zij per ongeluk vochtig hout aangeboden van de onervaren stokers en in zo'n geval protesteerden de flakkerende gele fluimen met een nadrukkelijk gesis en gerook. De zo geliefde bron van warmte en licht dreigde te sterven en de holbewoners schrokken zich een ongeluk. Een van de groepsleden keek heel nauwkeurig in het stervende vuur en zag kleine belletjes van kokend water uit een stammetje kruipen. Het was een slimme stamgenoot, die bereid was te leren van fouten. Hij had zijn conclusies getrokken en de anderen duidelijk gemaakt dat hun wegkwijnende warmtebron behoefte had aan hout zónder water. Vlug werd alles op alles gezet om droog hout te vinden en die dag werd de eetlust van de 'gele gasten' hersteld en hadden alle stamleden een belangrijke les geleerd. Een voorraad droge takken werd in een hoekje van de grote grot gelegd.

Het duurde niet lang voordat een dromerige stamgenoot per ongeluk ontdekte dat een stukje vlees aan een tak geprikt plotseling erg lekker begon te ruiken. Hij hield het spelenderwijs in de vlammen en proefde het daarna. Het was een regelrechte sensatie en andere grotgenoten waren al even enthousiast. Vuur werd een kostbaar bezit dat zo lang mogelijk brandend werd gehouden en in aardewerken potten mee werd genomen wanneer de stam verder trok. Het was zelfs iets wat onderwerp van kleptomanie werd: rivaliserende stammen probeerden het vuur van elkaar te stelen. Blijkbaar hadden ze nog niet begrepen dat het ook 'te delen' was.

Men werd steeds handiger en men kon zelfs een smeulend stokje weer tot 'leven' wekken en zo het vuurtje weer opstoken. Men leerde water te koken en in hutten die ze bouwden werd een opening in het dak gelaten waardoor de rook kon ontsnappen, zodat het aangenamer was om binnen te schuilen bij slecht weer. Hoe het ook zij: vuur was en bleef 'een wonder'. Een mirakel waar ze slechts drie elementen voor nodig hadden: brandstof, zuurstof en hitte. Niet dat ze dat toen al wisten, maar wat ze wèl wisten was dat het verdraaid moeilijk was die hitte te vinden. Een bliksemschicht had je niet zomaar bij de hand, vandaar dat ze zo zuinig waren op eenmaal verkregen vuur.

Het duurde natuurlijk een hele tijd voor men door kreeg dat wrijving ook warmte genereerde. Het draaiende stokje met licht ontvlambaar droog gras, berkenschors en iele twijgjes gingen zo wel eens branden. De ontdekking van vuursteen was eveneens een niet geringe mijlpaal. Dit kostbare gesteente ging óók nogal eens onvrijwillig van hand tot hand. Het was wat gemakkelijker te vervoeren en je hoefde alleen maar wat droge 'brandstof' mee te nemen om daarmee de vlammen tevoorschijn te toveren. Hout was overal wel te vinden.

Die 'liefde' voor het in brand steken van van alles en nog wat is met de mens verbonden als de schubben met de vis. Tot op de dag van vandaag is het populair om voor de meest uiteenlopende doeleinden stoffen te verbranden. Olie, steenkool en gas zijn de meest bekende brandstoffen. Wonderlijk is en blijft het, dat er nooit een dier op deze wereld is geweest dat dezelfde behoefte heeft gehad. Ooit gehoord van een brandende beer? Zelfs de meest op ons lijkende mensapen hebben nooit een fikkie gestookt. Ze waren er bang van, net zoals de meest stoere roofdieren niks van vuur moesten hebben. Dat kwam de oermens goed uit. Zo zorgde het vuur zelfs voor hun veiligheid. Enige uitzondering was misschien de vuurvlieg. Maar dat was natuurlijk geen echt vuur maar een chemisch proces in het achterlijf van het insect, waar geen warmte maar licht bij vrij kwam. De mensen waren er kennelijk zo obsessief mee bezig dat zij zelfs een dier verzonnen met dit verschijnsel: dat werd de vuurspuwende draak in sprookjes. Dat het de mens door de eeuwen heen bezig heeft gehouden blijkt ook al uit de vele spreekwoorden en gezegdes, die in het dagelijkse taalgebruik voor komen. Men staat werkelijk in vuur en vlam voor dit onderwerp en al is het soms heel subtiel: waar rook is is vuur, het blijft duidelijk. Soms zit je werkelijk tussen twee vuren in.

Het zou een misser zijn als een bekende afwijking onbenoemd zouden blijven: iemand die een ziekelijke neiging heeft tot het in brand steken van bezittingen, liefst niet die van hemzelf. Deze pyromaan zit dan op een afstand in zijn vuistje lachend de situatie te bezien, zonder zich iets van andermans ellende aan te trekken.

Komt er ooit een einde aan deze omarming van het verbranden van stoffen door de mens, met het excuus van: transport, industrie, verwarming, bereiding van voedsel enzovoort?

Het zal moeilijk zijn. Diep van binnen vinden we het maar wát mooi: dat knallen en knetteren. Niet alleen met oud en nieuw, maar ook onze haarden, motoren en 'heilige koeien' en andere voornamelijk oliegestookte vervoermiddelen stillen de honger naar verbranding. En natuurlijk moeten we blijven eten en gebruiksartikelen blijven maken.

Dan is daar de dreiging, al of niet reëel, van het toenemen van de Co2 in onze atmosfeer. Het lijken tekenen die er op wijzen dat we nu met z'n zeven miljarden eens wat moeten minderen met onze pyrofiele hobby. Toekomstscenario's die geschetst worden zijn, op zijn zachtst gezegd, niet hoopvol.

Persoonlijk vind ik het, los van argumenten als uitputting van grondstoffen en milieubelasting, een goede zaak dat wij als individu bekijken wat we kunnen doen om het voor onszelf en degenen die na ons komen zo draaglijk mogelijk te maken. Dat klinkt misschien vaag en heel algemeen. Ik zal het proberen toe te lichten.

Als ons een 'rampscenario' voorgeschoteld wordt, tezamen met een onbetaalbaar pakket aan maatregelen, dan oogst men niets dan paniek en apathie. De tendens: 'Ik weet het ook niet meer, hier kan ik onmogelijk mee uit de voeten!' is dan heel begrijpelijk.

Wanneer de zaken anders benaderd worden: niet komen met paniekvoetbal maar met uitvoerbare acties, dan komt het bij mensen 'redelijker' binnen. Vooral gebaseerd op twee peilers: heldere en reële informatie enerzijds en financieel haalbare acties voor burgers anderzijds.

Zelfs al zouden burgers in hun leven geconfronteerd worden of iets merken van een stijgende zeespiegel, dan lijkt het mij oneerlijk de mensen 'een poot uit te trekken' van tienduizenden euro's, áls ze dat al zouden doen. Een heel land failliet laten gaan aan warmtepompen, zonnepanelen enzovoorts komt buitengewoon onrechtvaardig en zelfs misdadig over. Als bovendien andere landen minder voortvarend te werk gaan, wordt het doel nóg niet bereikt. Zelfs al zouden alle landen van de EU braaf de gestelde doelen halen: een reductie van 90% co2, dan is dat nog geen garantie dat dan de bedreiging afgewend is. Continenten waar de bevolkingsgroei het grootst is houden zéker geen gelijke tred met het 'rijke' westen. Als bijvoorbeeld Afrika en India milieutechnisch ver achterblijven dan wordt het wereldwijde doel niet gehaald. Afrika maakt een bevolkingsexplosie mee. Beide hebben zo'n 1,2 miljard bewoners die qua milieu nog niet zo ver zijn als het westen. China met zijn 1,4 miljard inwoners is economisch enorm in opkomst, maar ondanks grote inspanningen om het milieu te sparen is de bevolkingsaanwas daar zeer waarschijnlijk slecht nieuws voor het milieu.

Moeten we dan, als het toch vergeefse moeite is, niets doen? Natuurlijk niet.

Er wordt wel eens gezegd: 'Je kunt geen ijzer met handen breken'. Dat geldt ook voor mensen als het gaat om onze leefomgeving. Laat de mensen inzien dat het verstandig is om op een bepaalde wijze verstandig om te gaan met de keuzes die zij hebben met de blik op de toekomst. Maar vooral: laat ze keuzes maken die zij kunnen begrijpen en bekostigen, in plaats van paniek en apathie te zaaien. Het een hoeft het ander niet te bijten. Als je geld hebt om wat aan isolatie te doen, dan is dat een begrijpelijke besparing op energiekosten die snel zijn vruchten afwerpt. Als iemand méér te besteden heeft kan hij duurdere investeringen overwegen: zonnepanelen, misschien een warmtepomp of zelfs een elektrische auto. Belangrijk hierbij is dus dat ieder naar draagkracht zijn steentje bij draagt met in het achterhoofd: ik help mezelf (op termijn) èn ik help het milieu. Misschien nóg belangrijker: ik help degenen die na mij komen.